Zondag 3 mei 2026.
Dagverslag door Cees
Vandaag zijn Cor en ik naar de dienst van een Baptistenkerk geweest, dit is de plaats waar we diverse mensen kunnen ontmoeten, die ons ook weer verder kunnen helpen.
Na afloop van de dienst werden we door vrijwel iedereen uitbundig begroet en gehugd, ik voelde mij bijna een beetje ongemakkelijk bij zoveel aandacht. Afgelopen winter, toen het zo koud was en ze soms maar 2 à 3 uur stroom per dag hadden, heb ik een paar keer een flinke gift overgemaakt om er o.a. accu’s, batterijen, aggregaten, gaskachels en gasflessen voor te kopen; ze waren ons daar heel dankbaar voor.
Na de dienst hebben we de plannen besproken en gekeken hoe we die concreet kunnen maken.
Hierna zijn we naar Jelena geweest, een vrouw die met haar 4 zonen gevlucht is uit de omgeving van Bachmoet, met achterlating van al haar spullen en alles wat ze in de loop van jaren opgebouwd hadden. Afgelopen 2 jaar hebben we haar geholpen met 2 keer 8 m³ stookhout, fietsen, een kachel, een paar nieuwe kozijnen en een deur, allemaal met dubbelglas. Dat was ook wel nodig, want deze woning, die meer op een onbewoonbare krot leek, was niet warm te stoken. Ook hebben we haar een paar keer financieel ondersteund. Vluchtelingen ontvangen nauwelijks geld van de overheid, niet omdat ze niet willen, maar het is er gewoon niet. Je bent dus aangewezen op familie, kerken of wat anderen je willen geven.
Voor Jelena heb ik diep respect, als je kijkt hoe ze zich er doorheen slaat zonder te klagen. Met haar zoons houden ze een grote tuin bij, hebben ze eenden, kippen, konijnen en geiten, zo zijn ze wat de voedselvoorziening betreft vrijwel geheel selfsupporting.
Maar deze keer kwamen we niet alleen om te kijken, maar ook om haar verhaal te horen.
Jelena vertelt
“We komen uit een stad in de omgeving van Bachmoet [inmiddels bezet door Rusland]. We maakten de oorlog daar van dichtbij mee en wilden lange tijd niet vertrekken. We zijn pas vertrokken toen het heel zwaar werd, dat was in juli 2023, maar al begin april was er geen elektriciteit en water meer. Alles was kapotgeschoten, ook de waterleiding.
Het front lag op slechts 3 kilometer afstand, raketten vlogen over ons heen, clustermunitie kwam neer in onze straat. Artillerie, tanks, kanonnen – alles was er. Het was heel zwaar. Niet alleen fysiek, maar vooral ook mentaal. We beseften toen niet eens hoe verschrikkelijk het was.
Soms werden mensen door mijnen uiteengereten en moesten we hen vervoeren. Het was zwaar… ook om te begraven.
Ik ben de leden van onze kerk aldaar heel dankbaar; er was een revalidatiecentrum door onze kerk opgericht. Toen de oorlog begon, vertrokken het ziekenhuis, de overheid en de politie meteen. Er bleef niets van de staatsstructuren over. Er waren geen auto’s, geen nutsvoorzieningen. Geen licht, geen gas – dat werd al in maart afgesloten.
Mensen kookten op geïmproviseerde kachels van stenen. Dit was geen film, dit was de realiteit. Mensen van mijn kerk kwamen met pastor Sergej en vroegen wat nodig was; ik gaf hen een lijst. De volgende dag brachten ze, met gevaar voor eigen leven, een auto vol medische apparatuur om mensen te redden. Er waren geen artsen of apparatuur meer in de stad.
Mensen gingen water halen en werden geraakt door clustermunitie. We hebben zo vaak ons leven geriskeerd. We hoopten op Gods bescherming… Vaak lagen mijn zoon en ik langs de weg, terwijl granaten over ons heen vlogen. Je ligt daar en telt de seconden tot de inslag. Vooral water halen was dus erg gevaarlijk; je wist nooit of je de put veilig zou bereiken. Thuis wachtten de kinderen alleen, dat was erg beangstigend.
Onze militairen zeiden: “Als wij vertrekken, moeten jullie ook vertrekken, want dan is er niemand meer om de stad te beschermen.” Het was een angstaanjagende tijd. We kwamen nog met een kleine groep samen in de kerk – zes mensen. We baden en zongen. Later kwamen mensen van andere kerken ook, zelfs uit schuilkelders. Zo’n toestroom heb ik nog nooit gezien. De mensen baden intens, vielen op hun knieën. Het gebedshuis staat er nu helaas niet meer – het is vernietigd.
Op een dag belde iemand van de kerk (een “broeder”) en zei: “Je moet vertrekken.” Ik wilde niet – ik had dieren, een oude moeder, familiegraven, maar hij drong aan. De volgende ochtend kwamen christelijke vrijwilligers en evacueerden ons. We moesten alles achterlaten – dieren, spullen, techniek. Het was pijnlijk, maar het leven van mijn kinderen was belangrijker.
We gingen naar Konstantynivka [dat inmiddels dicht bij het front ligt]. Daar bleven we één nacht en vertrokken daarna verder. We herinnerden ons: verzamel je schatten in de hemel [uitspraak van Jezus].
We kwamen uiteindelijk terecht in dit dorp waar we warm werden ontvangen. Mensen hielpen ons om opnieuw te beginnen. We vonden een oud, verlaten huis; het was vervallen, maar we werden er verliefd op. Met hulp van buren maakten we het weer een beetje leefbaar. We kregen zelfs dieren cadeau – zoals een geit; mensen blijven ons helpen. We voelen ons hier thuis. Het is moeilijk omdat we geen werk kunnen vinden – als ontheemden worden we vaak niet aangenomen. Maar ik ben dankbaar voor de gelovige mensen om me heen en voor de kerk die ik hier heb gevonden.
Ik vond hier niet alleen een kerk, maar ook vrienden. Onlangs was ik jarig en kreeg meer dan 300 felicitaties. Veel daarvan kwamen van pastors – dat raakte me enorm. De kerk heeft me altijd gesteund, ook toen mijn man overleed, nu bijna 9 jaar geleden. Zonder een kerkgemeenschap hadden we het niet gered.
Ik ben een dankbaar mens.”